About me

Ik ben Onno Octavius

Ik maak glass, Ceramic, visuele, autonome en toegepaste kunst.

Biografie


Ik heb geen achtergrond in een kunstopleiding of in de traditionele kunstwereld. Ik kom uit de bouw, waar ik jarenlang
werkte met constructies, materialen en techniek. In dat werk viel mij steeds weer op hoeveel materiaal er wordt
weggegooid: reststukken, onderdelen en afval dat in mijn ogen nog waarde had. Juist daar ligt een belangrijke basis van
mijn kunstenaarschap. Ik heb veel technisch inzicht en een sterke technische aanleg, en ik kijk van nature naar wat iets
kan worden. Ik nam materialen mee naar huis en onderzocht hoe ik ze een nieuwe bestemming kon geven. Niet als
“recyclen” om het recyclen, maar vanuit een maakdrang: wat kan ik bouwen, vormen, laten functioneren, laten spreken?


Na een ongeluk belandde ik in een periode waarin ik tijdelijk immobiel was en niet kon werken zoals ik gewend was. In die
stilstand kwam ruimte vrij om mij te richten op kunstprojecten. Mijn technische kwaliteiten, mijn gevoel voor materiaal en
mijn behoefte om te maken kwamen in die fase samen. Daar begon ik mijn eerste kunstobjecten te ontwikkelen: niet
vanuit een kunsttheorie, maar vanuit doen, proberen, testen, fouten maken en opnieuw bouwen. Die praktische,
onderzoekende manier van werken is sindsdien een constante in mijn praktijk gebleven.


Een materiaal dat mij al langer fascineerde was glas. Hoewel glas niet direct een typisch bouw-restmateriaal is, trok het
mij door de combinatie van kwetsbaarheid en kracht, en door de manier waarop het licht kan vangen en projecteren. Ik
volgde cursussen in Nederland en Duitsland en verdiepte mij in glastechnieken. In mijn vroege glaswerk kwam mijn
technische achtergrond meteen zichtbaar terug: ik combineerde glas met constructieve materialen, zoals koper, en
bouwde objecten waarin vorm en functie dicht bij elkaar lagen. Zo ontstonden bijvoorbeeld glazen bloemen en bladeren
op koperen structuren, en maakte ik ook werken die als lamp of lichtobject konden functioneren.


Vanuit die glasfase verschoof mijn aandacht steeds meer naar hergebruik, niet alleen vanuit de bouw, maar juist ook
vanuit de wereld van glas zelf. Ik zag hoeveel glas er dagelijks als afval eindigt (wijnflessen, bierflessen en allerlei andere
flessen) en begon te onderzoeken wat er gebeurt als je dat “afval” niet als restmateriaal ziet, maar als grondstof met een
eigen vorm en geschiedenis. Een duidelijk voorbeeld daarvan is mijn omkering van het bekende concept “schip in een
fles”. In plaats van een schip ín een fles te plaatsen, maakte ik het schip ván de fles: de fles werd het basismateriaal en
het uitgangspunt van het object. Deze schepen zijn op verschillende plekken geëxposeerd, waaronder in het
Wijnmuseum in Arnhem en in exposities in kunstkwartier Klarendal.

In dezelfde periode werkte ik ook aan grotere sculpturen waarin technische constructie en materiaaltransformatie
centraal stonden. Een belangrijk werk daarin is een harnas op ware grootte, opgebouwd uit honderden bodems van wijnen bierflessen. In dit werk gebruik ik mijn technisch inzicht, geduld en precisie om een ogenschijnlijk banaal
restmateriaal om te vormen tot een sculpturaal object dat zowel kracht als kwetsbaarheid uitstraalt. Ook dit werk kreeg
een plek binnen het Wijnmuseum in Arnhem.


Na een intensieve periode met glas verbreedde mijn praktijk zich naar metaal. Metaal gaf mij een ander soort vrijheid:
stevigheid, schaal, constructie en de mogelijkheid om objecten niet alleen te bouwen, maar ook een duidelijke
ruimtelijke aanwezigheid te geven. In deze fase ontstond een duidelijke beweging richting installaties. De werken werden
minder een object op zichzelf en meer een samenspel van vorm, ruimte, techniek en ervaring. Voor TEDx Arnhem
ontwikkelde ik bijvoorbeeld een ‘nutteloze machine’: een installatie waarin beweging, mechaniek en visuele aandacht
samenkomen, en die bovendien werd ingezet in de campagne-uitingen rondom het evenement.


Tegelijk merkte ik dat ik veel alleen werkte: in een atelier, een loods, vaak naast mijn werk in de bouw. Daarom zocht ik
meer verbinding met de culturele sector. Die kans kreeg ik toen in Arnhem, bij Coehoorn Centraal, een culturele enclave
ontstond. Daar speelde ik een dubbele rol. Enerzijds was ik betrokken bij de technische ontwikkeling en het onderhoud
van de plek. Iets waar mijn bouwachtergrond en technisch inzicht direct van waarde waren. Anderzijds kreeg ik toegang
tot een omgeving van makers: bijeenkomsten, presentaties, creatieve sessies en het uitwisselen van ideeën. Die jaren
gaven mij niet alleen een netwerk, maar ook een scherper gevoel voor hoe mijn werk zich verhoudt tot een publiek en een
context.


Vanuit die periode ontstond ook het idee om een eigen ontmoetingsplek te bouwen in Arnhem: een pand dat ik
verbouwde met het doel om mensen samen te brengen. Gaandeweg schoof de praktijk daar echter steeds meer richting
bouw en minder richting kunst. Hoewel die fase veel kennis en contacten opleverde, werd voor mij juist duidelijker dat ik
mij opnieuw wilde verdiepen in mijn autonome kunstenaarschap en in nieuwe technieken.


Die verdieping vond ik in Taiwan. Daar richtte ik mij op keramiek, glazuren, texturen en ambachtelijke precisie. Ik werkte
bij TAI-HWA Pottery in Yinge en kwam in aanraking met meester-keramisten en een maakcultuur waarin geduld, detail en
techniek vanzelfsprekend zijn. In Taiwan ontwikkelde ik een verfijnder oog voor afwerking en nuance. Kwaliteiten die ik
later weer kon meenemen in mijn werk met glas en metaal. Hoewel keramiek een belangrijke uitbreiding was, bracht het
mij uiteindelijk ook terug naar mijn kernmaterialen: glas, metaal en licht. Deze periode was niet alleen een technische
verdieping, maar ook een persoonlijke ontdekkingstocht.


Na mijn tijd in Taiwan begon ik deze nieuwe inzichten toe te passen binnen mijn eigen praktijk. De precisie en aandacht
voor detail die ik in Taiwan had ontwikkeld, begon ik nu te gebruiken binnen mijn glas- en metaalwerken. In deze periode
ontstonden verschillende nieuwe sculpturen en installaties waarin materiaal, constructie en verfijning samenkwamen.


Een belangrijk moment in deze fase was mijn werk voor het Marie Tak van Poortvliet Museum in Domburg. Het museum
wilde een kunstinstallatie als blikvanger hebben om de entree te benadrukken. Ik kreeg de kans om dit kunstwerk vorm te
geven. Hiervoor ontwikkelde ik meerdere werken die samen een visuele en ruimtelijke introductie voor het museum
vormden. In dit project kon ik mijn ervaring met glas, metaal en constructie combineren met de aandacht voor detail en
verhaal die ik in Taiwan had ontwikkeld. Het werd een periode waarin ik intensief experimenteerde met hoe materialen
samen een narratief kunnen dragen.


In mijn huidige praktijk werk ik voornamelijk met sculpturen en installaties waarin glas, metaal, constructie en licht
samenkomen. Mijn werk vertrekt vaak vanuit materialen die al een geschiedenis hebben of die normaal gesproken als
afval worden gezien. Door deze materialen te transformeren probeer ik nieuwe vormen en verhalen te laten ontstaan.


De volgende stap in mijn ontwikkeling ligt voor mij in het onderzoeken van interactie. In eerdere fases van mijn werk,
bijvoorbeeld tijdens mijn installaties met metaal en mijn ervaringen in de culturele omgeving van Coehoorn Centraal,
merkte ik hoe interessant het wordt wanneer een werk niet alleen bekeken wordt, maar ook reageert op de aanwezigheid
van mensen. Daarom onderzoek ik nu hoe mijn sculpturale werk kan evolueren naar installaties waarin de bezoeker een
actieve rol krijgt. Niet alleen het object vertelt dan het verhaal, maar ook de interactie tussen het werk en de bezoeker
wordt onderdeel van dat verhaal. Glas, metaal, licht en techniek worden daarin middelen om een ervaring te creëren
waarin materiaal en mens elkaar ontmoeten.